Cursus Nederlands » Woordsoorten » Bijwoorden

Bijwoorden

Bijwoorden zeggen niets over zelfstandige naamwoorden, maar over andere onderdelen van de zin. Zelfstandige naamwoorden zijn bijvoorbeeld boek en tafel.

In dit voorbeeld zegt het bijwoord morgen iets over het werkwoord komen.
Ik kom morgen

In dit voorbeeld zegt het bijwoord heel iets over het bijvoeglijk naamwoord lang.
Het heel lange gras.

In dit voorbeeld zegt het bijwoord heel iets over het bijwoord vaak.
Ik reis heel vaak naar België.

Een bijwoord wordt altijd hetzelfde gespeld. Voeg dus geen letters aan een woord toe als het als een bijwoord wordt gebruikt.

Voorbeelden:

bijwoorden die een tijd aangeven
Ik ga morgen naar huis.
Ik zag jou gisteren.
Ik kook vandaag.
Ik kook soms.
Ik kook vaak.
Ik kook altijd.
Ik nies steeds.
Dan ben ik jarig.
Hij is net aangekomen.
Ik heb het pas gehoord.
bijwoorden die een plaats aangeven
Ik ben hier.
Ik ga ergens heen.
andere bijwoorden
Ik kom niet.
Ik kom misschien.
Het is helaas te koud vandaag.
Ik wil graag een ticket van u.
Het ging bijna mis.
Eigenlijk is deze tas te zwaar.
Er zijn nog twee koffers.
Wat een verrassing. Hij is wel gekomen.
Wat een verrassing. Hij is toch gekomen.
Dat is mooi opgelost, toch?
Dat is toch fijn?
Dat is goed, ?
Ik hoor dat je de auto neemt. Dat is goed, hoor.
Dat heb je goed gedaan, zeg.
Gisteren heb ik zelfs gekookt.
Gisteren heb ik zelf gekookt.
Gisteren heb ik zelf maar gekookt.
Wat is er?

Omdat het woord er een belangrijk bijwoord is, besteden we er een hele paragraaf aan.

Het bijwoord er

Het Nederlandse woord er wordt op veel verschillende manieren gebruikt.

Als we over een plaats praten betekent er daar of hier.
Er zijn drie schoenwinkels in deze straat.

Als je het onderwerp van een zin niet weet, kan het woord er je helpen om de zin te vormen. Je kunt er ook gebruiken als je het onderwerp niet wilt noemen.
Er wordt aangebeld.
Er wordt niets aan gedaan.
Er is een kraan gerepareerd.

Gebruik er om een persoon of ding aan de luisteraar of lezer voor te stellen.
Er is iemand binnengekomen.
Er kwam iemand langs met een kinderwagen.
Er is een klant.
Er is thee.

Het woord er kan deel uitmaken van een voorzetsel.
Nu giet ik de olie erin.
Ik weet er alles van.
Ik ben ervan geschrokken.
Ik heb er veel aan.
Jullie mogen ermee rijden.

Als je een aantal noemt en het onderwerp weglaat is het nodig om er te gebruiken.
Ik heb vier winterbanden gekocht.
Ik heb er vier gekocht.
Ik heb een jas gekocht.
Ik heb er één gekocht.

Dit voorbeeld laat zien dat er niet altijd daar betekent.
Er is iets gebeurd.
Wat is er gebeurd?
Wie gaat er mee?
Er zijn honderd exemplaren verkocht.

Het woord daar gebruik je bijvoorbeeld zo:
Daar is het gebeurd.
Wat is daar gebeurd?

Het woord hier kun je zo gebruiken:
De schuurmachine staat hier.

De zinsbouw van de volgende uitdrukking is heel gewoon. Als je “een muis” naar het begin van de zin verplaatst en er weglaat, klinkt het niet gewoon.
Er zit een muis in de kast.
Maar als je weet welke muis het is, dan wordt het anders. Gebruik er en de muis niet in één uitdrukking.
De muis zit in de kast.

Twee soorten bijwoorden

Als een woord alleen als bijwoord gebruikt kan worden, noemen we het dus een bijwoord. Voorbeelden daarvan zijn vaak en gisteren.
Ik reis vaak naar België.

Maar veel woorden kunnen ook als bijvoeglijke naamwoorden worden gebruikt. Voorbeelden daarvan zijn groen en snel. Het woord snel is een bijvoeglijk naamwoord, maar je kunt het op deze manier als bijwoord gebruiken:
Deze auto roest snel.

Belangrijk: Als een woord als bijwoord wordt gebruikt wordt het altijd hetzelfde gespeld. Bijvoeglijke naamwoorden worden niet altijd hetzelfde gespeld. Daarom is het hoofdstuk over bijvoeglijke naamwoorden moeilijker dan dit hoofdstuk. Als je snel als een bijvoeglijk naamwoord gebruikt, wat het eigenlijk ook is, dan schrijf je: “de snelle auto” .

naar boven