|
|
 |
|
|
 |
|
|
|
|
Dutch Verb List
Explanation
When you read hij (he) in these verb-tables, you can always replace the word
by ze (she), zij (she), or het (it).
When you read je (you, singular), then choose je (you),
jij (you) or u (you). These words are all singular.
The word u is formal and can also be used in the plural.
There is a difference between u and je in the present tense
when the verb comes first. Example: “Je bent” (you are) loses a
t when the verb comes first: “ben je” (you are). “U bent” and “bent u” both have a t, as expected.
When you want to stress je, ze, or we, use jij,
zij, or wij instead.
English example: present (I walk), past (I walked), present perfect (I have walked), past perfect (I had walked),
future (I will walk), conditional (I would walk), future perfect (I will have walked), conditional perfect (I would have walked).
Important Verbs
| zijn (to be)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik ben | ik was | ik ben geweest | ik was geweest
| | you | je bent | je was | je bent geweest | je was geweest
| | he | hij is | hij was | hij is geweest | hij was geweest
| | we | we zijn | we waren | we zijn geweest | we waren geweest
| | you | jullie zijn | jullie waren | jullie zijn geweest | jullie waren geweest
| | they | ze zijn | ze waren | ze zijn geweest | ze waren geweest
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal zijn | ik zou zijn | ik zal zijn geweest | ik zou zijn geweest
| | you | je zult zijn | je zou zijn | je zult zijn geweest | je zou zijn geweest
| | he | hij zal zijn | hij zou zijn | hij zal zijn geweest | hij zou zijn geweest
| | we | we zullen zijn | we zouden zijn | we zullen zijn geweest | we zouden zijn geweest
| | you | jullie zullen zijn | jullie zouden zijn | jullie zullen zijn geweest | jullie zouden zijn geweest
| | they | ze zullen zijn | ze zouden zijn | ze zullen zijn geweest | ze zouden zijn geweest
|
| hebben (to have)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik heb | ik had | ik heb gehad | ik had gehad
| | you | je hebt | je had | je hebt gehad | je had gehad
| | he | hij heeft | hij had | hij heeft gehad | hij had gehad
| | we | we hebben | we hadden | we hebben gehad | we hadden gehad
| | you | jullie hebben | jullie hadden | jullie hebben gehad | jullie hadden gehad
| | they | ze hebben | ze hadden | ze hebben gehad | ze hadden gehad
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal hebben | ik zou hebben | ik zal hebben gehad | ik zou hebben gehad
| | you | je zult hebben | je zou hebben | je zult hebben gehad | je zou hebben gehad
| | he | hij zal hebben | hij zou hebben | hij zal hebben gehad | hij zou hebben gehad
| | we | we zullen hebben | we zouden hebben | we zullen hebben gehad | we zouden hebben gehad
| | you | jullie zullen hebben | jullie zouden hebben | jullie zullen hebben gehad | jullie zouden hebben gehad
| | they | ze zullen hebben | ze zouden hebben | ze zullen hebben gehad | ze zouden hebben gehad
|
| zullen (shall, will)
| | | present | past
| | I | ik zal | ik zou
| | you | je zult | je zou
| | he | hij zal | hij zou
| | we | we zullen | we zouden
| | you | jullie zullen | jullie zouden
| | they | ze zullen | ze zouden
|
Other Verbs
| aankomen (to arrive)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik kom aan | ik kwam aan | ik ben aangekomen | ik was aangekomen
| | you | je komt aan | je kwam aan | je bent aangekomen | je was aangekomen
| | he | hij komt aan | hij kwam aan | hij is aangekomen | hij was aangekomen
| | we | we komen aan | we kwamen aan | we zijn aangekomen | we waren aangekomen
| | you | jullie komen aan | jullie kwamen aan | jullie zijn aangekomen | jullie waren aangekomen
| | they | ze komen aan | ze kwamen aan | ze zijn aangekomen | ze waren aangekomen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal aankomen | ik zou aankomen | ik zal zijn aangekomen | ik zou zijn aangekomen
| | you | je zult aankomen | je zou aankomen | je zult zijn aangekomen | je zou zijn aangekomen
| | he | hij zal aankomen | hij zou aankomen | hij zal zijn aangekomen | hij zou zijn aangekomen
| | we | we zullen aankomen | we zouden aankomen | we zullen zijn aangekomen | we zouden zijn aangekomen
| | you | jullie zullen aankomen | jullie zouden aankomen | jullie zullen zijn aangekomen | jullie zouden zijn aangekomen
| | they | ze zullen aankomen | ze zouden aankomen | ze zullen zijn aangekomen | ze zouden zijn aangekomen
|
| beginnen (to begin)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik begin | ik begon | ik ben begonnen | ik was begonnen
| | you | je begint | je begon | je bent begonnen | je was begonnen
| | he | hij begint | hij begon | hij is begonnen | hij was begonnen
| | we | we beginnen | we begonnen | we zijn begonnen | we waren begonnen
| | you | jullie beginnen | jullie begonnen | jullie zijn begonnen | jullie waren begonnen
| | they | ze beginnen | ze begonnen | ze zijn begonnen | ze waren begonnen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal beginnen | ik zou beginnen | ik zal zijn begonnen | ik zou zijn begonnen
| | you | je zult beginnen | je zou beginnen | je zult zijn begonnen | je zou zijn begonnen
| | he | hij zal beginnen | hij zou beginnen | hij zal zijn begonnen | hij zou zijn begonnen
| | we | we zullen beginnen | we zouden beginnen | we zullen zijn begonnen | we zouden zijn begonnen
| | you | jullie zullen beginnen | jullie zouden beginnen | jullie zullen zijn begonnen | jullie zouden zijn begonnen
| | they | ze zullen beginnen | ze zouden beginnen | ze zullen zijn begonnen | ze zouden zijn begonnen
|
| begrijpen (to understand)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik begrijp | ik begreep | ik heb begrepen | ik had begrepen
| | you | je begrijpt | je begreep | je hebt begrepen | je had begrepen
| | he | hij begrijpt | hij begreep | hij heeft begrepen | hij had begrepen
| | we | we begrijpen | we begrepen | we hebben begrepen | we hadden begrepen
| | you | jullie begrijpen | jullie begrepen | jullie hebben begrepen | jullie hadden begrepen
| | they | ze begrijpen | ze begrepen | ze hebben begrepen | ze hadden begrepen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal begrijpen | ik zou begrijpen | ik zal hebben begrepen | ik zou hebben begrepen
| | you | je zult begrijpen | je zou begrijpen | je zult hebben begrepen | je zou hebben begrepen
| | he | hij zal begrijpen | hij zou begrijpen | hij zal hebben begrepen | hij zou hebben begrepen
| | we | we zullen begrijpen | we zouden begrijpen | we zullen hebben begrepen | we zouden hebben begrepen
| | you | jullie zullen begrijpen | jullie zouden begrijpen | jullie zullen hebben begrepen | jullie zouden hebben begrepen
| | they | ze zullen begrijpen | ze zouden begrijpen | ze zullen hebben begrepen | ze zouden hebben begrepen
|
| bellen (to call (by phone))
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik bel | ik belde | ik heb gebeld | ik had gebeld
| | you | je belt | je belde | je hebt gebeld | je had gebeld
| | he | hij belt | hij belde | hij heeft gebeld | hij had gebeld
| | we | we bellen | we belden | we hebben gebeld | we hadden gebeld
| | you | jullie bellen | jullie belden | jullie hebben gebeld | jullie hadden gebeld
| | they | ze bellen | ze belden | ze hebben gebeld | ze hadden gebeld
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal bellen | ik zou bellen | ik zal hebben gebeld | ik zou hebben gebeld
| | you | je zult bellen | je zou bellen | je zult hebben gebeld | je zou hebben gebeld
| | he | hij zal bellen | hij zou bellen | hij zal hebben gebeld | hij zou hebben gebeld
| | we | we zullen bellen | we zouden bellen | we zullen hebben gebeld | we zouden hebben gebeld
| | you | jullie zullen bellen | jullie zouden bellen | jullie zullen hebben gebeld | jullie zouden hebben gebeld
| | they | ze zullen bellen | ze zouden bellen | ze zullen hebben gebeld | ze zouden hebben gebeld
|
| bereiken (to reach)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik bereik | ik bereikte | ik heb bereikt | ik had bereikt
| | you | je bereikt | je bereikte | je hebt bereikt | je had bereikt
| | he | hij bereikt | hij bereikte | hij heeft bereikt | hij had bereikt
| | we | we bereiken | we bereikten | we hebben bereikt | we hadden bereikt
| | you | jullie bereiken | jullie bereikten | jullie hebben bereikt | jullie hadden bereikt
| | they | ze bereiken | ze bereikten | ze hebben bereikt | ze hadden bereikt
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal bereiken | ik zou bereiken | ik zal hebben bereikt | ik zou hebben bereikt
| | you | je zult bereiken | je zou bereiken | je zult hebben bereikt | je zou hebben bereikt
| | he | hij zal bereiken | hij zou bereiken | hij zal hebben bereikt | hij zou hebben bereikt
| | we | we zullen bereiken | we zouden bereiken | we zullen hebben bereikt | we zouden hebben bereikt
| | you | jullie zullen bereiken | jullie zouden bereiken | jullie zullen hebben bereikt | jullie zouden hebben bereikt
| | they | ze zullen bereiken | ze zouden bereiken | ze zullen hebben bereikt | ze zouden hebben bereikt
|
| beschermen (to protect)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik bescherm | ik beschermde | ik heb beschermd | ik had beschermd
| | you | je beschermt | je beschermde | je hebt beschermd | je had beschermd
| | he | hij beschermt | hij beschermde | hij heeft beschermd | hij had beschermd
| | we | we beschermen | we beschermden | we hebben beschermd | we hadden beschermd
| | you | jullie beschermen | jullie beschermden | jullie hebben beschermd | jullie hadden beschermd
| | they | ze beschermen | ze beschermden | ze hebben beschermd | ze hadden beschermd
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal beschermen | ik zou beschermen | ik zal hebben beschermd | ik zou hebben beschermd
| | you | je zult beschermen | je zou beschermen | je zult hebben beschermd | je zou hebben beschermd
| | he | hij zal beschermen | hij zou beschermen | hij zal hebben beschermd | hij zou hebben beschermd
| | we | we zullen beschermen | we zouden beschermen | we zullen hebben beschermd | we zouden hebben beschermd
| | you | jullie zullen beschermen | jullie zouden beschermen | jullie zullen hebben beschermd | jullie zouden hebben beschermd
| | they | ze zullen beschermen | ze zouden beschermen | ze zullen hebben beschermd | ze zouden hebben beschermd
|
| betalen (to pay)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik betaal | ik betaalde | ik heb betaald | ik had betaald
| | you | je betaalt | je betaalde | je hebt betaald | je had betaald
| | he | hij betaalt | hij betaalde | hij heeft betaald | hij had betaald
| | we | we betalen | we betaalden | we hebben betaald | we hadden betaald
| | you | jullie betalen | jullie betaalden | jullie hebben betaald | jullie hadden betaald
| | they | ze betalen | ze betaalden | ze hebben betaald | ze hadden betaald
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal betalen | ik zou betalen | ik zal hebben betaald | ik zou hebben betaald
| | you | je zult betalen | je zou betalen | je zult hebben betaald | je zou hebben betaald
| | he | hij zal betalen | hij zou betalen | hij zal hebben betaald | hij zou hebben betaald
| | we | we zullen betalen | we zouden betalen | we zullen hebben betaald | we zouden hebben betaald
| | you | jullie zullen betalen | jullie zouden betalen | jullie zullen hebben betaald | jullie zouden hebben betaald
| | they | ze zullen betalen | ze zouden betalen | ze zullen hebben betaald | ze zouden hebben betaald
|
| bezoeken (to visit)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik bezoek | ik bezocht | ik heb bezocht | ik had bezocht
| | you | je bezoekt | je bezocht | je hebt bezocht | je had bezocht
| | he | hij bezoekt | hij bezocht | hij heeft bezocht | hij had bezocht
| | we | we bezoeken | we bezochten | we hebben bezocht | we hadden bezocht
| | you | jullie bezoeken | jullie bezochten | jullie hebben bezocht | jullie hadden bezocht
| | they | ze bezoeken | ze bezochten | ze hebben bezocht | ze hadden bezocht
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal bezoeken | ik zou bezoeken | ik zal hebben bezocht | ik zou hebben bezocht
| | you | je zult bezoeken | je zou bezoeken | je zult hebben bezocht | je zou hebben bezocht
| | he | hij zal bezoeken | hij zou bezoeken | hij zal hebben bezocht | hij zou hebben bezocht
| | we | we zullen bezoeken | we zouden bezoeken | we zullen hebben bezocht | we zouden hebben bezocht
| | you | jullie zullen bezoeken | jullie zouden bezoeken | jullie zullen hebben bezocht | jullie zouden hebben bezocht
| | they | ze zullen bezoeken | ze zouden bezoeken | ze zullen hebben bezocht | ze zouden hebben bezocht
|
| bidden (to pray)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik bid | ik bad | ik heb gebeden | ik had gebeden
| | you | je bidt | je bad | je hebt gebeden | je had gebeden
| | he | hij bidt | hij bad | hij heeft gebeden | hij had gebeden
| | we | we bidden | we baden | we hebben gebeden | we hadden gebeden
| | you | jullie bidden | jullie baden | jullie hebben gebeden | jullie hadden gebeden
| | they | ze bidden | ze baden | ze hebben gebeden | ze hadden gebeden
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal bidden | ik zou bidden | ik zal hebben gebeden | ik zou hebben gebeden
| | you | je zult bidden | je zou bidden | je zult hebben gebeden | je zou hebben gebeden
| | he | hij zal bidden | hij zou bidden | hij zal hebben gebeden | hij zou hebben gebeden
| | we | we zullen bidden | we zouden bidden | we zullen hebben gebeden | we zouden hebben gebeden
| | you | jullie zullen bidden | jullie zouden bidden | jullie zullen hebben gebeden | jullie zouden hebben gebeden
| | they | ze zullen bidden | ze zouden bidden | ze zullen hebben gebeden | ze zouden hebben gebeden
|
| blijven (to stay)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik blijf | ik bleef | ik ben gebleven | ik was gebleven
| | you | je blijft | je bleef | je bent gebleven | je was gebleven
| | he | hij blijft | hij bleef | hij is gebleven | hij was gebleven
| | we | we blijven | we bleven | we zijn gebleven | we waren gebleven
| | you | jullie blijven | jullie bleven | jullie zijn gebleven | jullie waren gebleven
| | they | ze blijven | ze bleven | ze zijn gebleven | ze waren gebleven
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal blijven | ik zou blijven | ik zal zijn gebleven | ik zou zijn gebleven
| | you | je zult blijven | je zou blijven | je zult zijn gebleven | je zou zijn gebleven
| | he | hij zal blijven | hij zou blijven | hij zal zijn gebleven | hij zou zijn gebleven
| | we | we zullen blijven | we zouden blijven | we zullen zijn gebleven | we zouden zijn gebleven
| | you | jullie zullen blijven | jullie zouden blijven | jullie zullen zijn gebleven | jullie zouden zijn gebleven
| | they | ze zullen blijven | ze zouden blijven | ze zullen zijn gebleven | ze zouden zijn gebleven
|
| brengen (to bring)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik breng | ik bracht | ik heb gebracht | ik had gebracht
| | you | je brengt | je bracht | je hebt gebracht | je had gebracht
| | he | hij brengt | hij bracht | hij heeft gebracht | hij had gebracht
| | we | we brengen | we brachten | we hebben gebracht | we hadden gebracht
| | you | jullie brengen | jullie brachten | jullie hebben gebracht | jullie hadden gebracht
| | they | ze brengen | ze brachten | ze hebben gebracht | ze hadden gebracht
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal brengen | ik zou brengen | ik zal hebben gebracht | ik zou hebben gebracht
| | you | je zult brengen | je zou brengen | je zult hebben gebracht | je zou hebben gebracht
| | he | hij zal brengen | hij zou brengen | hij zal hebben gebracht | hij zou hebben gebracht
| | we | we zullen brengen | we zouden brengen | we zullen hebben gebracht | we zouden hebben gebracht
| | you | jullie zullen brengen | jullie zouden brengen | jullie zullen hebben gebracht | jullie zouden hebben gebracht
| | they | ze zullen brengen | ze zouden brengen | ze zullen hebben gebracht | ze zouden hebben gebracht
|
| denken (to think)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik denk | ik dacht | ik heb gedacht | ik had gedacht
| | you | je denkt | je dacht | je hebt gedacht | je had gedacht
| | he | hij denkt | hij dacht | hij heeft gedacht | hij had gedacht
| | we | we denken | we dachten | we hebben gedacht | we hadden gedacht
| | you | jullie denken | jullie dachten | jullie hebben gedacht | jullie hadden gedacht
| | they | ze denken | ze dachten | ze hebben gedacht | ze hadden gedacht
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal denken | ik zou denken | ik zal hebben gedacht | ik zou hebben gedacht
| | you | je zult denken | je zou denken | je zult hebben gedacht | je zou hebben gedacht
| | he | hij zal denken | hij zou denken | hij zal hebben gedacht | hij zou hebben gedacht
| | we | we zullen denken | we zouden denken | we zullen hebben gedacht | we zouden hebben gedacht
| | you | jullie zullen denken | jullie zouden denken | jullie zullen hebben gedacht | jullie zouden hebben gedacht
| | they | ze zullen denken | ze zouden denken | ze zullen hebben gedacht | ze zouden hebben gedacht
|
| doen (to do)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik doe | ik deed | ik heb gedaan | ik had gedaan
| | you | je doet | je deed | je hebt gedaan | je had gedaan
| | he | hij doet | hij deed | hij heeft gedaan | hij had gedaan
| | we | we doen | we deden | we hebben gedaan | we hadden gedaan
| | you | jullie doen | jullie deden | jullie hebben gedaan | jullie hadden gedaan
| | they | ze doen | ze deden | ze hebben gedaan | ze hadden gedaan
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal doen | ik zou doen | ik zal hebben gedaan | ik zou hebben gedaan
| | you | je zult doen | je zou doen | je zult hebben gedaan | je zou hebben gedaan
| | he | hij zal doen | hij zou doen | hij zal hebben gedaan | hij zou hebben gedaan
| | we | we zullen doen | we zouden doen | we zullen hebben gedaan | we zouden hebben gedaan
| | you | jullie zullen doen | jullie zouden doen | jullie zullen hebben gedaan | jullie zouden hebben gedaan
| | they | ze zullen doen | ze zouden doen | ze zullen hebben gedaan | ze zouden hebben gedaan
|
| dragen (to carry)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik draag | ik droeg | ik heb gedragen | ik had gedragen
| | you | je draagt | je droeg | je hebt gedragen | je had gedragen
| | he | hij draagt | hij droeg | hij heeft gedragen | hij had gedragen
| | we | we dragen | we droegen | we hebben gedragen | we hadden gedragen
| | you | jullie dragen | jullie droegen | jullie hebben gedragen | jullie hadden gedragen
| | they | ze dragen | ze droegen | ze hebben gedragen | ze hadden gedragen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal dragen | ik zou dragen | ik zal hebben gedragen | ik zou hebben gedragen
| | you | je zult dragen | je zou dragen | je zult hebben gedragen | je zou hebben gedragen
| | he | hij zal dragen | hij zou dragen | hij zal hebben gedragen | hij zou hebben gedragen
| | we | we zullen dragen | we zouden dragen | we zullen hebben gedragen | we zouden hebben gedragen
| | you | jullie zullen dragen | jullie zouden dragen | jullie zullen hebben gedragen | jullie zouden hebben gedragen
| | they | ze zullen dragen | ze zouden dragen | ze zullen hebben gedragen | ze zouden hebben gedragen
|
| drinken (to drink)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik drink | ik dronk | ik heb gedronken | ik had gedronken
| | you | je drinkt | je dronk | je hebt gedronken | je had gedronken
| | he | hij drinkt | hij dronk | hij heeft gedronken | hij had gedronken
| | we | we drinken | we dronken | we hebben gedronken | we hadden gedronken
| | you | jullie drinken | jullie dronken | jullie hebben gedronken | jullie hadden gedronken
| | they | ze drinken | ze dronken | ze hebben gedronken | ze hadden gedronken
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal drinken | ik zou drinken | ik zal hebben gedronken | ik zou hebben gedronken
| | you | je zult drinken | je zou drinken | je zult hebben gedronken | je zou hebben gedronken
| | he | hij zal drinken | hij zou drinken | hij zal hebben gedronken | hij zou hebben gedronken
| | we | we zullen drinken | we zouden drinken | we zullen hebben gedronken | we zouden hebben gedronken
| | you | jullie zullen drinken | jullie zouden drinken | jullie zullen hebben gedronken | jullie zouden hebben gedronken
| | they | ze zullen drinken | ze zouden drinken | ze zullen hebben gedronken | ze zouden hebben gedronken
|
| eten (to eat)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik eet | ik at | ik heb gegeten | ik had gegeten
| | you | je eet | je at | je hebt gegeten | je had gegeten
| | he | hij eet | hij at | hij heeft gegeten | hij had gegeten
| | we | we eten | we aten | we hebben gegeten | we hadden gegeten
| | you | jullie eten | jullie aten | jullie hebben gegeten | jullie hadden gegeten
| | they | ze eten | ze aten | ze hebben gegeten | ze hadden gegeten
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal eten | ik zou eten | ik zal hebben gegeten | ik zou hebben gegeten
| | you | je zult eten | je zou eten | je zult hebben gegeten | je zou hebben gegeten
| | he | hij zal eten | hij zou eten | hij zal hebben gegeten | hij zou hebben gegeten
| | we | we zullen eten | we zouden eten | we zullen hebben gegeten | we zouden hebben gegeten
| | you | jullie zullen eten | jullie zouden eten | jullie zullen hebben gegeten | jullie zouden hebben gegeten
| | they | ze zullen eten | ze zouden eten | ze zullen hebben gegeten | ze zouden hebben gegeten
|
| faxen (to fax)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik fax | ik faxte | ik heb gefaxt | ik had gefaxt
| | you | je faxt | je faxte | je hebt gefaxt | je had gefaxt
| | he | hij faxt | hij faxte | hij heeft gefaxt | hij had gefaxt
| | we | we faxen | we faxten | we hebben gefaxt | we hadden gefaxt
| | you | jullie faxen | jullie faxten | jullie hebben gefaxt | jullie hadden gefaxt
| | they | ze faxen | ze faxten | ze hebben gefaxt | ze hadden gefaxt
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal faxen | ik zou faxen | ik zal hebben gefaxt | ik zou hebben gefaxt
| | you | je zult faxen | je zou faxen | je zult hebben gefaxt | je zou hebben gefaxt
| | he | hij zal faxen | hij zou faxen | hij zal hebben gefaxt | hij zou hebben gefaxt
| | we | we zullen faxen | we zouden faxen | we zullen hebben gefaxt | we zouden hebben gefaxt
| | you | jullie zullen faxen | jullie zouden faxen | jullie zullen hebben gefaxt | jullie zouden hebben gefaxt
| | they | ze zullen faxen | ze zouden faxen | ze zullen hebben gefaxt | ze zouden hebben gefaxt
|
| gaan (to go)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik ga | ik ging | ik ben gegaan | ik was gegaan
| | you | je gaat | je ging | je bent gegaan | je was gegaan
| | he | hij gaat | hij ging | hij is gegaan | hij was gegaan
| | we | we gaan | we gingen | we zijn gegaan | we waren gegaan
| | you | jullie gaan | jullie gingen | jullie zijn gegaan | jullie waren gegaan
| | they | ze gaan | ze gingen | ze zijn gegaan | ze waren gegaan
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal gaan | ik zou gaan | ik zal zijn gegaan | ik zou zijn gegaan
| | you | je zult gaan | je zou gaan | je zult zijn gegaan | je zou zijn gegaan
| | he | hij zal gaan | hij zou gaan | hij zal zijn gegaan | hij zou zijn gegaan
| | we | we zullen gaan | we zouden gaan | we zullen zijn gegaan | we zouden zijn gegaan
| | you | jullie zullen gaan | jullie zouden gaan | jullie zullen zijn gegaan | jullie zouden zijn gegaan
| | they | ze zullen gaan | ze zouden gaan | ze zullen zijn gegaan | ze zouden zijn gegaan
|
| gebeuren (to happen)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | it | het gebeurt | het gebeurde | het is gebeurd | het was gebeurd
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | it | het zal gebeuren | het zou gebeuren | het zal zijn gebeurd | het zou zijn gebeurd
|
| gebruiken (to use)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik gebruik | ik gebruikte | ik heb gebruikt | ik had gebruikt
| | you | je gebruikt | je gebruikte | je hebt gebruikt | je had gebruikt
| | he | hij gebruikt | hij gebruikte | hij heeft gebruikt | hij had gebruikt
| | we | we gebruiken | we gebruikten | we hebben gebruikt | we hadden gebruikt
| | you | jullie gebruiken | jullie gebruikten | jullie hebben gebruikt | jullie hadden gebruikt
| | they | ze gebruiken | ze gebruikten | ze hebben gebruikt | ze hadden gebruikt
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal gebruiken | ik zou gebruiken | ik zal hebben gebruikt | ik zou hebben gebruikt
| | you | je zult gebruiken | je zou gebruiken | je zult hebben gebruikt | je zou hebben gebruikt
| | he | hij zal gebruiken | hij zou gebruiken | hij zal hebben gebruikt | hij zou hebben gebruikt
| | we | we zullen gebruiken | we zouden gebruiken | we zullen hebben gebruikt | we zouden hebben gebruikt
| | you | jullie zullen gebruiken | jullie zouden gebruiken | jullie zullen hebben gebruikt | jullie zouden hebben gebruikt
| | they | ze zullen gebruiken | ze zouden gebruiken | ze zullen hebben gebruikt | ze zouden hebben gebruikt
|
| gehoorzamen (to obey)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik gehoorzaam | ik gehoorzaamde | ik heb gehoorzaamd | ik had gehoorzaamd
| | you | je gehoorzaamt | je gehoorzaamde | je hebt gehoorzaamd | je had gehoorzaamd
| | he | hij gehoorzaamt | hij gehoorzaamde | hij heeft gehoorzaamd | hij had gehoorzaamd
| | we | we gehoorzamen | we gehoorzaamden | we hebben gehoorzaamd | we hadden gehoorzaamd
| | you | jullie gehoorzamen | jullie gehoorzaamden | jullie hebben gehoorzaamd | jullie hadden gehoorzaamd
| | they | ze gehoorzamen | ze gehoorzaamden | ze hebben gehoorzaamd | ze hadden gehoorzaamd
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal gehoorzamen | ik zou gehoorzamen | ik zal hebben gehoorzaamd | ik zou hebben gehoorzaamd
| | you | je zult gehoorzamen | je zou gehoorzamen | je zult hebben gehoorzaamd | je zou hebben gehoorzaamd
| | he | hij zal gehoorzamen | hij zou gehoorzamen | hij zal hebben gehoorzaamd | hij zou hebben gehoorzaamd
| | we | we zullen gehoorzamen | we zouden gehoorzamen | we zullen hebben gehoorzaamd | we zouden hebben gehoorzaamd
| | you | jullie zullen gehoorzamen | jullie zouden gehoorzamen | jullie zullen hebben gehoorzaamd | jullie zouden hebben gehoorzaamd
| | they | ze zullen gehoorzamen | ze zouden gehoorzamen | ze zullen hebben gehoorzaamd | ze zouden hebben gehoorzaamd
|
| geloven (to believe)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik geloof | ik geloofde | ik heb geloofd | ik had geloofd
| | you | je gelooft | je geloofde | je hebt geloofd | je had geloofd
| | he | hij gelooft | hij geloofde | hij heeft geloofd | hij had geloofd
| | we | we geloven | we geloofden | we hebben geloofd | we hadden geloofd
| | you | jullie geloven | jullie geloofden | jullie hebben geloofd | jullie hadden geloofd
| | they | ze geloven | ze geloofden | ze hebben geloofd | ze hadden geloofd
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal geloven | ik zou geloven | ik zal hebben geloofd | ik zou hebben geloofd
| | you | je zult geloven | je zou geloven | je zult hebben geloofd | je zou hebben geloofd
| | he | hij zal geloven | hij zou geloven | hij zal hebben geloofd | hij zou hebben geloofd
| | we | we zullen geloven | we zouden geloven | we zullen hebben geloofd | we zouden hebben geloofd
| | you | jullie zullen geloven | jullie zouden geloven | jullie zullen hebben geloofd | jullie zouden hebben geloofd
| | they | ze zullen geloven | ze zouden geloven | ze zullen hebben geloofd | ze zouden hebben geloofd
|
| genieten (to enjoy)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik geniet | ik genoot | ik heb genoten | ik had genoten
| | you | je geniet | je genoot | je hebt genoten | je had genoten
| | he | hij geniet | hij genoot | hij heeft genoten | hij had genoten
| | we | we genieten | we genoten | we hebben genoten | we hadden genoten
| | you | jullie genieten | jullie genoten | jullie hebben genoten | jullie hadden genoten
| | they | ze genieten | ze genoten | ze hebben genoten | ze hadden genoten
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal genieten | ik zou genieten | ik zal hebben genoten | ik zou hebben genoten
| | you | je zult genieten | je zou genieten | je zult hebben genoten | je zou hebben genoten
| | he | hij zal genieten | hij zou genieten | hij zal hebben genoten | hij zou hebben genoten
| | we | we zullen genieten | we zouden genieten | we zullen hebben genoten | we zouden hebben genoten
| | you | jullie zullen genieten | jullie zouden genieten | jullie zullen hebben genoten | jullie zouden hebben genoten
| | they | ze zullen genieten | ze zouden genieten | ze zullen hebben genoten | ze zouden hebben genoten
|
| geven (to give)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik geef | ik gaf | ik heb gegeven | ik had gegeven
| | you | je geeft | je gaf | je hebt gegeven | je had gegeven
| | he | hij geeft | hij gaf | hij heeft gegeven | hij had gegeven
| | we | we geven | we gaven | we hebben gegeven | we hadden gegeven
| | you | jullie geven | jullie gaven | jullie hebben gegeven | jullie hadden gegeven
| | they | ze geven | ze gaven | ze hebben gegeven | ze hadden gegeven
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal geven | ik zou geven | ik zal hebben gegeven | ik zou hebben gegeven
| | you | je zult geven | je zou geven | je zult hebben gegeven | je zou hebben gegeven
| | he | hij zal geven | hij zou geven | hij zal hebben gegeven | hij zou hebben gegeven
| | we | we zullen geven | we zouden geven | we zullen hebben gegeven | we zouden hebben gegeven
| | you | jullie zullen geven | jullie zouden geven | jullie zullen hebben gegeven | jullie zouden hebben gegeven
| | they | ze zullen geven | ze zouden geven | ze zullen hebben gegeven | ze zouden hebben gegeven
|
| glijden (to slide, to glide)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik glijd | ik gleed | ik ben gegleden | ik was gegleden
| | you | je glijdt | je gleed | je bent gegleden | je was gegleden
| | he | hij glijdt | hij gleed | hij is gegleden | hij was gegleden
| | we | we glijden | we gleden | we zijn gegleden | we waren gegleden
| | you | jullie glijden | jullie gleden | jullie zijn gegleden | jullie waren gegleden
| | they | ze glijden | ze gleden | ze zijn gegleden | ze waren gegleden
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal glijden | ik zou glijden | ik zal zijn gegleden | ik zou zijn gegleden
| | you | je zult glijden | je zou glijden | je zult zijn gegleden | je zou zijn gegleden
| | he | hij zal glijden | hij zou glijden | hij zal zijn gegleden | hij zou zijn gegleden
| | we | we zullen glijden | we zouden glijden | we zullen zijn gegleden | we zouden zijn gegleden
| | you | jullie zullen glijden | jullie zouden glijden | jullie zullen zijn gegleden | jullie zouden zijn gegleden
| | they | ze zullen glijden | ze zouden glijden | ze zullen zijn gegleden | ze zouden zijn gegleden
|
| gooien (to throw)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik gooi | ik gooide | ik heb gegooid | ik had gegooid
| | you | je gooit | je gooide | je hebt gegooid | je had gegooid
| | he | hij gooit | hij gooide | hij heeft gegooid | hij had gegooid
| | we | we gooien | we gooiden | we hebben gegooid | we hadden gegooid
| | you | jullie gooien | jullie gooiden | jullie hebben gegooid | jullie hadden gegooid
| | they | ze gooien | ze gooiden | ze hebben gegooid | ze hadden gegooid
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal gooien | ik zou gooien | ik zal hebben gegooid | ik zou hebben gegooid
| | you | je zult gooien | je zou gooien | je zult hebben gegooid | je zou hebben gegooid
| | he | hij zal gooien | hij zou gooien | hij zal hebben gegooid | hij zou hebben gegooid
| | we | we zullen gooien | we zouden gooien | we zullen hebben gegooid | we zouden hebben gegooid
| | you | jullie zullen gooien | jullie zouden gooien | jullie zullen hebben gegooid | jullie zouden hebben gegooid
| | they | ze zullen gooien | ze zouden gooien | ze zullen hebben gegooid | ze zouden hebben gegooid
|
| halen (to fetch, to get)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik haal | ik haalde | ik heb gehaald | ik had gehaald
| | you | je haalt | je haalde | je hebt gehaald | je had gehaald
| | he | hij haalt | hij haalde | hij heeft gehaald | hij had gehaald
| | we | we halen | we haalden | we hebben gehaald | we hadden gehaald
| | you | jullie halen | jullie haalden | jullie hebben gehaald | jullie hadden gehaald
| | they | ze halen | ze haalden | ze hebben gehaald | ze hadden gehaald
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal halen | ik zou halen | ik zal hebben gehaald | ik zou hebben gehaald
| | you | je zult halen | je zou halen | je zult hebben gehaald | je zou hebben gehaald
| | he | hij zal halen | hij zou halen | hij zal hebben gehaald | hij zou hebben gehaald
| | we | we zullen halen | we zouden halen | we zullen hebben gehaald | we zouden hebben gehaald
| | you | jullie zullen halen | jullie zouden halen | jullie zullen hebben gehaald | jullie zouden hebben gehaald
| | they | ze zullen halen | ze zouden halen | ze zullen hebben gehaald | ze zouden hebben gehaald
|
| hangen (to hang)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik hang | ik hing | ik heb gehangen | ik had gehangen
| | you | je hangt | je hing | je hebt gehangen | je had gehangen
| | he | hij hangt | hij hing | hij heeft gehangen | hij had gehangen
| | we | we hangen | we hingen | we hebben gehangen | we hadden gehangen
| | you | jullie hangen | jullie hingen | jullie hebben gehangen | jullie hadden gehangen
| | they | ze hangen | ze hingen | ze hebben gehangen | ze hadden gehangen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal hangen | ik zou hangen | ik zal hebben gehangen | ik zou hebben gehangen
| | you | je zult hangen | je zou hangen | je zult hebben gehangen | je zou hebben gehangen
| | he | hij zal hangen | hij zou hangen | hij zal hebben gehangen | hij zou hebben gehangen
| | we | we zullen hangen | we zouden hangen | we zullen hebben gehangen | we zouden hebben gehangen
| | you | jullie zullen hangen | jullie zouden hangen | jullie zullen hebben gehangen | jullie zouden hebben gehangen
| | they | ze zullen hangen | ze zouden hangen | ze zullen hebben gehangen | ze zouden hebben gehangen
|
| helpen (to help)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik help | ik hielp | ik heb geholpen | ik had geholpen
| | you | je helpt | je hielp | je hebt geholpen | je had geholpen
| | he | hij helpt | hij hielp | hij heeft geholpen | hij had geholpen
| | we | we helpen | we hielpen | we hebben geholpen | we hadden geholpen
| | you | jullie helpen | jullie hielpen | jullie hebben geholpen | jullie hadden geholpen
| | they | ze helpen | ze hielpen | ze hebben geholpen | ze hadden geholpen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal helpen | ik zou helpen | ik zal hebben geholpen | ik zou hebben geholpen
| | you | je zult helpen | je zou helpen | je zult hebben geholpen | je zou hebben geholpen
| | he | hij zal helpen | hij zou helpen | hij zal hebben geholpen | hij zou hebben geholpen
| | we | we zullen helpen | we zouden helpen | we zullen hebben geholpen | we zouden hebben geholpen
| | you | jullie zullen helpen | jullie zouden helpen | jullie zullen hebben geholpen | jullie zouden hebben geholpen
| | they | ze zullen helpen | ze zouden helpen | ze zullen hebben geholpen | ze zouden hebben geholpen
|
| herkennen (to recognize)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik herken | ik herkende | ik heb herkend | ik had herkend
| | you | je herkent | je herkende | je hebt herkend | je had herkend
| | he | hij herkent | hij herkende | hij heeft herkend | hij had herkend
| | we | we herkennen | we herkenden | we hebben herkend | we hadden herkend
| | you | jullie herkennen | jullie herkenden | jullie hebben herkend | jullie hadden herkend
| | they | ze herkennen | ze herkenden | ze hebben herkend | ze hadden herkend
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal herkennen | ik zou herkennen | ik zal hebben herkend | ik zou hebben herkend
| | you | je zult herkennen | je zou herkennen | je zult hebben herkend | je zou hebben herkend
| | he | hij zal herkennen | hij zou herkennen | hij zal hebben herkend | hij zou hebben herkend
| | we | we zullen herkennen | we zouden herkennen | we zullen hebben herkend | we zouden hebben herkend
| | you | jullie zullen herkennen | jullie zouden herkennen | jullie zullen hebben herkend | jullie zouden hebben herkend
| | they | ze zullen herkennen | ze zouden herkennen | ze zullen hebben herkend | ze zouden hebben herkend
|
| horen (to hear, to belong)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik hoor | ik hoorde | ik heb gehoord | ik had gehoord
| | you | je hoort | je hoorde | je hebt gehoord | je had gehoord
| | he | hij hoort | hij hoorde | hij heeft gehoord | hij had gehoord
| | we | we horen | we hoorden | we hebben gehoord | we hadden gehoord
| | you | jullie horen | jullie hoorden | jullie hebben gehoord | jullie hadden gehoord
| | they | ze horen | ze hoorden | ze hebben gehoord | ze hadden gehoord
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal horen | ik zou horen | ik zal hebben gehoord | ik zou hebben gehoord
| | you | je zult horen | je zou horen | je zult hebben gehoord | je zou hebben gehoord
| | he | hij zal horen | hij zou horen | hij zal hebben gehoord | hij zou hebben gehoord
| | we | we zullen horen | we zouden horen | we zullen hebben gehoord | we zouden hebben gehoord
| | you | jullie zullen horen | jullie zouden horen | jullie zullen hebben gehoord | jullie zouden hebben gehoord
| | they | ze zullen horen | ze zouden horen | ze zullen hebben gehoord | ze zouden hebben gehoord
|
| houden (to keep)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik houd | ik hield | ik heb gehouden | ik had gehouden
| | you | je houdt | je hield | je hebt gehouden | je had gehouden
| | he | hij houdt | hij hield | hij heeft gehouden | hij had gehouden
| | we | we houden | we hielden | we hebben gehouden | we hadden gehouden
| | you | jullie houden | jullie hielden | jullie hebben gehouden | jullie hadden gehouden
| | they | ze houden | ze hielden | ze hebben gehouden | ze hadden gehouden
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal houden | ik zou houden | ik zal hebben gehouden | ik zou hebben gehouden
| | you | je zult houden | je zou houden | je zult hebben gehouden | je zou hebben gehouden
| | he | hij zal houden | hij zou houden | hij zal hebben gehouden | hij zou hebben gehouden
| | we | we zullen houden | we zouden houden | we zullen hebben gehouden | we zouden hebben gehouden
| | you | jullie zullen houden | jullie zouden houden | jullie zullen hebben gehouden | jullie zouden hebben gehouden
| | they | ze zullen houden | ze zouden houden | ze zullen hebben gehouden | ze zouden hebben gehouden
|
| huilen (to cry)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik huil | ik huilde | ik heb gehuild | ik had gehuild
| | you | je huilt | je huilde | je hebt gehuild | je had gehuild
| | he | hij huilt | hij huilde | hij heeft gehuild | hij had gehuild
| | we | we huilen | we huilden | we hebben gehuild | we hadden gehuild
| | you | jullie huilen | jullie huilden | jullie hebben gehuild | jullie hadden gehuild
| | they | ze huilen | ze huilden | ze hebben gehuild | ze hadden gehuild
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal huilen | ik zou huilen | ik zal hebben gehuild | ik zou hebben gehuild
| | you | je zult huilen | je zou huilen | je zult hebben gehuild | je zou hebben gehuild
| | he | hij zal huilen | hij zou huilen | hij zal hebben gehuild | hij zou hebben gehuild
| | we | we zullen huilen | we zouden huilen | we zullen hebben gehuild | we zouden hebben gehuild
| | you | jullie zullen huilen | jullie zouden huilen | jullie zullen hebben gehuild | jullie zouden hebben gehuild
| | they | ze zullen huilen | ze zouden huilen | ze zullen hebben gehuild | ze zouden hebben gehuild
|
| kennen (to know, to be acquainted with)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik ken | ik kende | ik heb gekend | ik had gekend
| | you | je kent | je kende | je hebt gekend | je had gekend
| | he | hij kent | hij kende | hij heeft gekend | hij had gekend
| | we | we kennen | we kenden | we hebben gekend | we hadden gekend
| | you | jullie kennen | jullie kenden | jullie hebben gekend | jullie hadden gekend
| | they | ze kennen | ze kenden | ze hebben gekend | ze hadden gekend
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal kennen | ik zou kennen | ik zal hebben gekend | ik zou hebben gekend
| | you | je zult kennen | je zou kennen | je zult hebben gekend | je zou hebben gekend
| | he | hij zal kennen | hij zou kennen | hij zal hebben gekend | hij zou hebben gekend
| | we | we zullen kennen | we zouden kennen | we zullen hebben gekend | we zouden hebben gekend
| | you | jullie zullen kennen | jullie zouden kennen | jullie zullen hebben gekend | jullie zouden hebben gekend
| | they | ze zullen kennen | ze zouden kennen | ze zullen hebben gekend | ze zouden hebben gekend
|
| kiezen (to choose)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik kies | ik koos | ik heb gekozen | ik had gekozen
| | you | je kiest | je koos | je hebt gekozen | je had gekozen
| | he | hij kiest | hij koos | hij heeft gekozen | hij had gekozen
| | we | we kiezen | we kozen | we hebben gekozen | we hadden gekozen
| | you | jullie kiezen | jullie kozen | jullie hebben gekozen | jullie hadden gekozen
| | they | ze kiezen | ze kozen | ze hebben gekozen | ze hadden gekozen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal kiezen | ik zou kiezen | ik zal hebben gekozen | ik zou hebben gekozen
| | you | je zult kiezen | je zou kiezen | je zult hebben gekozen | je zou hebben gekozen
| | he | hij zal kiezen | hij zou kiezen | hij zal hebben gekozen | hij zou hebben gekozen
| | we | we zullen kiezen | we zouden kiezen | we zullen hebben gekozen | we zouden hebben gekozen
| | you | jullie zullen kiezen | jullie zouden kiezen | jullie zullen hebben gekozen | jullie zouden hebben gekozen
| | they | ze zullen kiezen | ze zouden kiezen | ze zullen hebben gekozen | ze zouden hebben gekozen
|
| kijken (to look)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik kijk | ik keek | ik heb gekeken | ik had gekeken
| | you | je kijkt | je keek | je hebt gekeken | je had gekeken
| | he | hij kijkt | hij keek | hij heeft gekeken | hij had gekeken
| | we | we kijken | we keken | we hebben gekeken | we hadden gekeken
| | you | jullie kijken | jullie keken | jullie hebben gekeken | jullie hadden gekeken
| | they | ze kijken | ze keken | ze hebben gekeken | ze hadden gekeken
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal kijken | ik zou kijken | ik zal hebben gekeken | ik zou hebben gekeken
| | you | je zult kijken | je zou kijken | je zult hebben gekeken | je zou hebben gekeken
| | he | hij zal kijken | hij zou kijken | hij zal hebben gekeken | hij zou hebben gekeken
| | we | we zullen kijken | we zouden kijken | we zullen hebben gekeken | we zouden hebben gekeken
| | you | jullie zullen kijken | jullie zouden kijken | jullie zullen hebben gekeken | jullie zouden hebben gekeken
| | they | ze zullen kijken | ze zouden kijken | ze zullen hebben gekeken | ze zouden hebben gekeken
|
| komen (to come)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik kom | ik kwam | ik ben gekomen | ik was gekomen
| | you | je komt | je kwam | je bent gekomen | je was gekomen
| | he | hij komt | hij kwam | hij is gekomen | hij was gekomen
| | we | we komen | we kwamen | we zijn gekomen | we waren gekomen
| | you | jullie komen | jullie kwamen | jullie zijn gekomen | jullie waren gekomen
| | they | ze komen | ze kwamen | ze zijn gekomen | ze waren gekomen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal komen | ik zou komen | ik zal zijn gekomen | ik zou zijn gekomen
| | you | je zult komen | je zou komen | je zult zijn gekomen | je zou zijn gekomen
| | he | hij zal komen | hij zou komen | hij zal zijn gekomen | hij zou zijn gekomen
| | we | we zullen komen | we zouden komen | we zullen zijn gekomen | we zouden zijn gekomen
| | you | jullie zullen komen | jullie zouden komen | jullie zullen zijn gekomen | jullie zouden zijn gekomen
| | they | ze zullen komen | ze zouden komen | ze zullen zijn gekomen | ze zouden zijn gekomen
|
| kopen (to buy)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik koop | ik kocht | ik heb gekocht | ik had gekocht
| | you | je koopt | je kocht | je hebt gekocht | je had gekocht
| | he | hij koopt | hij kocht | hij heeft gekocht | hij had gekocht
| | we | we kopen | we kochten | we hebben gekocht | we hadden gekocht
| | you | jullie kopen | jullie kochten | jullie hebben gekocht | jullie hadden gekocht
| | they | ze kopen | ze kochten | ze hebben gekocht | ze hadden gekocht
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal kopen | ik zou kopen | ik zal hebben gekocht | ik zou hebben gekocht
| | you | je zult kopen | je zou kopen | je zult hebben gekocht | je zou hebben gekocht
| | he | hij zal kopen | hij zou kopen | hij zal hebben gekocht | hij zou hebben gekocht
| | we | we zullen kopen | we zouden kopen | we zullen hebben gekocht | we zouden hebben gekocht
| | you | jullie zullen kopen | jullie zouden kopen | jullie zullen hebben gekocht | jullie zouden hebben gekocht
| | they | ze zullen kopen | ze zouden kopen | ze zullen hebben gekocht | ze zouden hebben gekocht
|
| kosten (to cost)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik kost | ik kostte | ik heb gekost | ik had gekost
| | you | je kost | je kostte | je hebt gekost | je had gekost
| | he | hij kost | hij kostte | hij heeft gekost | hij had gekost
| | we | we kosten | we kostten | we hebben gekost | we hadden gekost
| | you | jullie kosten | jullie kostten | jullie hebben gekost | jullie hadden gekost
| | they | ze kosten | ze kostten | ze hebben gekost | ze hadden gekost
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal kosten | ik zou kosten | ik zal hebben gekost | ik zou hebben gekost
| | you | je zult kosten | je zou kosten | je zult hebben gekost | je zou hebben gekost
| | he | hij zal kosten | hij zou kosten | hij zal hebben gekost | hij zou hebben gekost
| | we | we zullen kosten | we zouden kosten | we zullen hebben gekost | we zouden hebben gekost
| | you | jullie zullen kosten | jullie zouden kosten | jullie zullen hebben gekost | jullie zouden hebben gekost
| | they | ze zullen kosten | ze zouden kosten | ze zullen hebben gekost | ze zouden hebben gekost
|
| krijgen (to receive, to get)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik krijg | ik kreeg | ik heb gekregen | ik had gekregen
| | you | je krijgt | je kreeg | je hebt gekregen | je had gekregen
| | he | hij krijgt | hij kreeg | hij heeft gekregen | hij had gekregen
| | we | we krijgen | we kregen | we hebben gekregen | we hadden gekregen
| | you | jullie krijgen | jullie kregen | jullie hebben gekregen | jullie hadden gekregen
| | they | ze krijgen | ze kregen | ze hebben gekregen | ze hadden gekregen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal krijgen | ik zou krijgen | ik zal hebben gekregen | ik zou hebben gekregen
| | you | je zult krijgen | je zou krijgen | je zult hebben gekregen | je zou hebben gekregen
| | he | hij zal krijgen | hij zou krijgen | hij zal hebben gekregen | hij zou hebben gekregen
| | we | we zullen krijgen | we zouden krijgen | we zullen hebben gekregen | we zouden hebben gekregen
| | you | jullie zullen krijgen | jullie zouden krijgen | jullie zullen hebben gekregen | jullie zouden hebben gekregen
| | they | ze zullen krijgen | ze zouden krijgen | ze zullen hebben gekregen | ze zouden hebben gekregen
|
| kunnen (can)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik kan | ik kon | ik heb gekund | ik had gekund
| | you | je kunt | je kon | je hebt gekund | je had gekund
| | he | hij kan | hij kon | hij heeft gekund | hij had gekund
| | we | we kunnen | we konden | we hebben gekund | we hadden gekund
| | you | jullie kunnen | jullie konden | jullie hebben gekund | jullie hadden gekund
| | they | ze kunnen | ze konden | ze hebben gekund | ze hadden gekund
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal kunnen | ik zou kunnen | ik zal hebben gekund | ik zou hebben gekund
| | you | je zult kunnen | je zou kunnen | je zult hebben gekund | je zou hebben gekund
| | he | hij zal kunnen | hij zou kunnen | hij zal hebben gekund | hij zou hebben gekund
| | we | we zullen kunnen | we zouden kunnen | we zullen hebben gekund | we zouden hebben gekund
| | you | jullie zullen kunnen | jullie zouden kunnen | jullie zullen hebben gekund | jullie zouden hebben gekund
| | they | ze zullen kunnen | ze zouden kunnen | ze zullen hebben gekund | ze zouden hebben gekund
|
| kussen (to kiss)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik kus | ik kuste | ik heb gekust | ik had gekust
| | you | je kust | je kuste | je hebt gekust | je had gekust
| | he | hij kust | hij kuste | hij heeft gekust | hij had gekust
| | we | we kussen | we kusten | we hebben gekust | we hadden gekust
| | you | jullie kussen | jullie kusten | jullie hebben gekust | jullie hadden gekust
| | they | ze kussen | ze kusten | ze hebben gekust | ze hadden gekust
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal kussen | ik zou kussen | ik zal hebben gekust | ik zou hebben gekust
| | you | je zult kussen | je zou kussen | je zult hebben gekust | je zou hebben gekust
| | he | hij zal kussen | hij zou kussen | hij zal hebben gekust | hij zou hebben gekust
| | we | we zullen kussen | we zouden kussen | we zullen hebben gekust | we zouden hebben gekust
| | you | jullie zullen kussen | jullie zouden kussen | jullie zullen hebben gekust | jullie zouden hebben gekust
| | they | ze zullen kussen | ze zouden kussen | ze zullen hebben gekust | ze zouden hebben gekust
|
| lachen (to laugh)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik lach | ik lachte | ik heb gelachen | ik had gelachen
| | you | je lacht | je lachte | je hebt gelachen | je had gelachen
| | he | hij lacht | hij lachte | hij heeft gelachen | hij had gelachen
| | we | we lachen | we lachten | we hebben gelachen | we hadden gelachen
| | you | jullie lachen | jullie lachten | jullie hebben gelachen | jullie hadden gelachen
| | they | ze lachen | ze lachten | ze hebben gelachen | ze hadden gelachen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal lachen | ik zou lachen | ik zal hebben gelachen | ik zou hebben gelachen
| | you | je zult lachen | je zou lachen | je zult hebben gelachen | je zou hebben gelachen
| | he | hij zal lachen | hij zou lachen | hij zal hebben gelachen | hij zou hebben gelachen
| | we | we zullen lachen | we zouden lachen | we zullen hebben gelachen | we zouden hebben gelachen
| | you | jullie zullen lachen | jullie zouden lachen | jullie zullen hebben gelachen | jullie zouden hebben gelachen
| | they | ze zullen lachen | ze zouden lachen | ze zullen hebben gelachen | ze zouden hebben gelachen
|
| laten (to let, to have done)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik laat | ik liet | ik heb gelaten | ik had gelaten
| | you | je laat | je liet | je hebt gelaten | je had gelaten
| | he | hij laat | hij liet | hij heeft gelaten | hij had gelaten
| | we | we laten | we lieten | we hebben gelaten | we hadden gelaten
| | you | jullie laten | jullie lieten | jullie hebben gelaten | jullie hadden gelaten
| | they | ze laten | ze lieten | ze hebben gelaten | ze hadden gelaten
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal laten | ik zou laten | ik zal hebben gelaten | ik zou hebben gelaten
| | you | je zult laten | je zou laten | je zult hebben gelaten | je zou hebben gelaten
| | he | hij zal laten | hij zou laten | hij zal hebben gelaten | hij zou hebben gelaten
| | we | we zullen laten | we zouden laten | we zullen hebben gelaten | we zouden hebben gelaten
| | you | jullie zullen laten | jullie zouden laten | jullie zullen hebben gelaten | jullie zouden hebben gelaten
| | they | ze zullen laten | ze zouden laten | ze zullen hebben gelaten | ze zouden hebben gelaten
|
| leggen (to lay)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik leg | ik legde | ik heb gelegd | ik had gelegd
| | you | je legt | je legde | je hebt gelegd | je had gelegd
| | he | hij legt | hij legde | hij heeft gelegd | hij had gelegd
| | we | we leggen | we legden | we hebben gelegd | we hadden gelegd
| | you | jullie leggen | jullie legden | jullie hebben gelegd | jullie hadden gelegd
| | they | ze leggen | ze legden | ze hebben gelegd | ze hadden gelegd
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal leggen | ik zou leggen | ik zal hebben gelegd | ik zou hebben gelegd
| | you | je zult leggen | je zou leggen | je zult hebben gelegd | je zou hebben gelegd
| | he | hij zal leggen | hij zou leggen | hij zal hebben gelegd | hij zou hebben gelegd
| | we | we zullen leggen | we zouden leggen | we zullen hebben gelegd | we zouden hebben gelegd
| | you | jullie zullen leggen | jullie zouden leggen | jullie zullen hebben gelegd | jullie zouden hebben gelegd
| | they | ze zullen leggen | ze zouden leggen | ze zullen hebben gelegd | ze zouden hebben gelegd
|
| leiden (to lead)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik leid | ik leidde | ik heb geleid | ik had geleid
| | you | je leidt | je leidde | je hebt geleid | je had geleid
| | he | hij leidt | hij leidde | hij heeft geleid | hij had geleid
| | we | we leiden | we leidden | we hebben geleid | we hadden geleid
| | you | jullie leiden | jullie leidden | jullie hebben geleid | jullie hadden geleid
| | they | ze leiden | ze leidden | ze hebben geleid | ze hadden geleid
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal leiden | ik zou leiden | ik zal hebben geleid | ik zou hebben geleid
| | you | je zult leiden | je zou leiden | je zult hebben geleid | je zou hebben geleid
| | he | hij zal leiden | hij zou leiden | hij zal hebben geleid | hij zou hebben geleid
| | we | we zullen leiden | we zouden leiden | we zullen hebben geleid | we zouden hebben geleid
| | you | jullie zullen leiden | jullie zouden leiden | jullie zullen hebben geleid | jullie zouden hebben geleid
| | they | ze zullen leiden | ze zouden leiden | ze zullen hebben geleid | ze zouden hebben geleid
|
| leren (to learn)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik leer | ik leerde | ik heb geleerd | ik had geleerd
| | you | je leert | je leerde | je hebt geleerd | je had geleerd
| | he | hij leert | hij leerde | hij heeft geleerd | hij had geleerd
| | we | we leren | we leerden | we hebben geleerd | we hadden geleerd
| | you | jullie leren | jullie leerden | jullie hebben geleerd | jullie hadden geleerd
| | they | ze leren | ze leerden | ze hebben geleerd | ze hadden geleerd
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal leren | ik zou leren | ik zal hebben geleerd | ik zou hebben geleerd
| | you | je zult leren | je zou leren | je zult hebben geleerd | je zou hebben geleerd
| | he | hij zal leren | hij zou leren | hij zal hebben geleerd | hij zou hebben geleerd
| | we | we zullen leren | we zouden leren | we zullen hebben geleerd | we zouden hebben geleerd
| | you | jullie zullen leren | jullie zouden leren | jullie zullen hebben geleerd | jullie zouden hebben geleerd
| | they | ze zullen leren | ze zouden leren | ze zullen hebben geleerd | ze zouden hebben geleerd
|
| leven (to live)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik leef | ik leefde | ik heb geleefd | ik had geleefd
| | you | je leeft | je leefde | je hebt geleefd | je had geleefd
| | he | hij leeft | hij leefde | hij heeft geleefd | hij had geleefd
| | we | we leven | we leefden | we hebben geleefd | we hadden geleefd
| | you | jullie leven | jullie leefden | jullie hebben geleefd | jullie hadden geleefd
| | they | ze leven | ze leefden | ze hebben geleefd | ze hadden geleefd
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal leven | ik zou leven | ik zal hebben geleefd | ik zou hebben geleefd
| | you | je zult leven | je zou leven | je zult hebben geleefd | je zou hebben geleefd
| | he | hij zal leven | hij zou leven | hij zal hebben geleefd | hij zou hebben geleefd
| | we | we zullen leven | we zouden leven | we zullen hebben geleefd | we zouden hebben geleefd
| | you | jullie zullen leven | jullie zouden leven | jullie zullen hebben geleefd | jullie zouden hebben geleefd
| | they | ze zullen leven | ze zouden leven | ze zullen hebben geleefd | ze zouden hebben geleefd
|
| lezen (to read)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik lees | ik las | ik heb gelezen | ik had gelezen
| | you | je leest | je las | je hebt gelezen | je had gelezen
| | he | hij leest | hij las | hij heeft gelezen | hij had gelezen
| | we | we lezen | we lazen | we hebben gelezen | we hadden gelezen
| | you | jullie lezen | jullie lazen | jullie hebben gelezen | jullie hadden gelezen
| | they | ze lezen | ze lazen | ze hebben gelezen | ze hadden gelezen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal lezen | ik zou lezen | ik zal hebben gelezen | ik zou hebben gelezen
| | you | je zult lezen | je zou lezen | je zult hebben gelezen | je zou hebben gelezen
| | he | hij zal lezen | hij zou lezen | hij zal hebben gelezen | hij zou hebben gelezen
| | we | we zullen lezen | we zouden lezen | we zullen hebben gelezen | we zouden hebben gelezen
| | you | jullie zullen lezen | jullie zouden lezen | jullie zullen hebben gelezen | jullie zouden hebben gelezen
| | they | ze zullen lezen | ze zouden lezen | ze zullen hebben gelezen | ze zouden hebben gelezen
|
| liggen (to lie (lay, lain))
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik lig | ik lag | ik heb gelegen | ik had gelegen
| | you | je ligt | je lag | je hebt gelegen | je had gelegen
| | he | hij ligt | hij lag | hij heeft gelegen | hij had gelegen
| | we | we liggen | we lagen | we hebben gelegen | we hadden gelegen
| | you | jullie liggen | jullie lagen | jullie hebben gelegen | jullie hadden gelegen
| | they | ze liggen | ze lagen | ze hebben gelegen | ze hadden gelegen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal liggen | ik zou liggen | ik zal hebben gelegen | ik zou hebben gelegen
| | you | je zult liggen | je zou liggen | je zult hebben gelegen | je zou hebben gelegen
| | he | hij zal liggen | hij zou liggen | hij zal hebben gelegen | hij zou hebben gelegen
| | we | we zullen liggen | we zouden liggen | we zullen hebben gelegen | we zouden hebben gelegen
| | you | jullie zullen liggen | jullie zouden liggen | jullie zullen hebben gelegen | jullie zouden hebben gelegen
| | they | ze zullen liggen | ze zouden liggen | ze zullen hebben gelegen | ze zouden hebben gelegen
|
| lijken (to look like)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik lijk | ik leek | ik heb geleken | ik had geleken
| | you | je lijkt | je leek | je hebt geleken | je had geleken
| | he | hij lijkt | hij leek | hij heeft geleken | hij had geleken
| | we | we lijken | we leken | we hebben geleken | we hadden geleken
| | you | jullie lijken | jullie leken | jullie hebben geleken | jullie hadden geleken
| | they | ze lijken | ze leken | ze hebben geleken | ze hadden geleken
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal lijken | ik zou lijken | ik zal hebben geleken | ik zou hebben geleken
| | you | je zult lijken | je zou lijken | je zult hebben geleken | je zou hebben geleken
| | he | hij zal lijken | hij zou lijken | hij zal hebben geleken | hij zou hebben geleken
| | we | we zullen lijken | we zouden lijken | we zullen hebben geleken | we zouden hebben geleken
| | you | jullie zullen lijken | jullie zouden lijken | jullie zullen hebben geleken | jullie zouden hebben geleken
| | they | ze zullen lijken | ze zouden lijken | ze zullen hebben geleken | ze zouden hebben geleken
|
| lopen (to walk)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik loop | ik liep | ik heb gelopen | ik had gelopen
| | you | je loopt | je liep | je hebt gelopen | je had gelopen
| | he | hij loopt | hij liep | hij heeft gelopen | hij had gelopen
| | we | we lopen | we liepen | we hebben gelopen | we hadden gelopen
| | you | jullie lopen | jullie liepen | jullie hebben gelopen | jullie hadden gelopen
| | they | ze lopen | ze liepen | ze hebben gelopen | ze hadden gelopen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal lopen | ik zou lopen | ik zal hebben gelopen | ik zou hebben gelopen
| | you | je zult lopen | je zou lopen | je zult hebben gelopen | je zou hebben gelopen
| | he | hij zal lopen | hij zou lopen | hij zal hebben gelopen | hij zou hebben gelopen
| | we | we zullen lopen | we zouden lopen | we zullen hebben gelopen | we zouden hebben gelopen
| | you | jullie zullen lopen | jullie zouden lopen | jullie zullen hebben gelopen | jullie zouden hebben gelopen
| | they | ze zullen lopen | ze zouden lopen | ze zullen hebben gelopen | ze zouden hebben gelopen
|
| luisteren (to listen)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik luister | ik luisterde | ik heb geluisterd | ik had geluisterd
| | you | je luistert | je luisterde | je hebt geluisterd | je had geluisterd
| | he | hij luistert | hij luisterde | hij heeft geluisterd | hij had geluisterd
| | we | we luisteren | we luisterden | we hebben geluisterd | we hadden geluisterd
| | you | jullie luisteren | jullie luisterden | jullie hebben geluisterd | jullie hadden geluisterd
| | they | ze luisteren | ze luisterden | ze hebben geluisterd | ze hadden geluisterd
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal luisteren | ik zou luisteren | ik zal hebben geluisterd | ik zou hebben geluisterd
| | you | je zult luisteren | je zou luisteren | je zult hebben geluisterd | je zou hebben geluisterd
| | he | hij zal luisteren | hij zou luisteren | hij zal hebben geluisterd | hij zou hebben geluisterd
| | we | we zullen luisteren | we zouden luisteren | we zullen hebben geluisterd | we zouden hebben geluisterd
| | you | jullie zullen luisteren | jullie zouden luisteren | jullie zullen hebben geluisterd | jullie zouden hebben geluisterd
| | they | ze zullen luisteren | ze zouden luisteren | ze zullen hebben geluisterd | ze zouden hebben geluisterd
|
| maken (to make)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik maak | ik maakte | ik heb gemaakt | ik had gemaakt
| | you | je maakt | je maakte | je hebt gemaakt | je had gemaakt
| | he | hij maakt | hij maakte | hij heeft gemaakt | hij had gemaakt
| | we | we maken | we maakten | we hebben gemaakt | we hadden gemaakt
| | you | jullie maken | jullie maakten | jullie hebben gemaakt | jullie hadden gemaakt
| | they | ze maken | ze maakten | ze hebben gemaakt | ze hadden gemaakt
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal maken | ik zou maken | ik zal hebben gemaakt | ik zou hebben gemaakt
| | you | je zult maken | je zou maken | je zult hebben gemaakt | je zou hebben gemaakt
| | he | hij zal maken | hij zou maken | hij zal hebben gemaakt | hij zou hebben gemaakt
| | we | we zullen maken | we zouden maken | we zullen hebben gemaakt | we zouden hebben gemaakt
| | you | jullie zullen maken | jullie zouden maken | jullie zullen hebben gemaakt | jullie zouden hebben gemaakt
| | they | ze zullen maken | ze zouden maken | ze zullen hebben gemaakt | ze zouden hebben gemaakt
|
| meenemen (to take with oneself)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik neem mee | ik nam mee | ik heb meegenomen | ik had meegenomen
| | you | je neemt mee | je nam mee | je hebt meegenomen | je had meegenomen
| | he | hij neemt mee | hij nam mee | hij heeft meegenomen | hij had meegenomen
| | we | we nemen mee | we namen mee | we hebben meegenomen | we hadden meegenomen
| | you | jullie nemen mee | jullie namen mee | jullie hebben meegenomen | jullie hadden meegenomen
| | they | ze nemen mee | ze namen mee | ze hebben meegenomen | ze hadden meegenomen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal meenemen | ik zou meenemen | ik zal hebben meegenomen | ik zou hebben meegenomen
| | you | je zult meenemen | je zou meenemen | je zult hebben meegenomen | je zou hebben meegenomen
| | he | hij zal meenemen | hij zou meenemen | hij zal hebben meegenomen | hij zou hebben meegenomen
| | we | we zullen meenemen | we zouden meenemen | we zullen hebben meegenomen | we zouden hebben meegenomen
| | you | jullie zullen meenemen | jullie zouden meenemen | jullie zullen hebben meegenomen | jullie zouden hebben meegenomen
| | they | ze zullen meenemen | ze zouden meenemen | ze zullen hebben meegenomen | ze zouden hebben meegenomen
|
| merken (to notice)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik merk | ik merkte | ik heb gemerkt | ik had gemerkt
| | you | je merkt | je merkte | je hebt gemerkt | je had gemerkt
| | he | hij merkt | hij merkte | hij heeft gemerkt | hij had gemerkt
| | we | we merken | we merkten | we hebben gemerkt | we hadden gemerkt
| | you | jullie merken | jullie merkten | jullie hebben gemerkt | jullie hadden gemerkt
| | they | ze merken | ze merkten | ze hebben gemerkt | ze hadden gemerkt
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal merken | ik zou merken | ik zal hebben gemerkt | ik zou hebben gemerkt
| | you | je zult merken | je zou merken | je zult hebben gemerkt | je zou hebben gemerkt
| | he | hij zal merken | hij zou merken | hij zal hebben gemerkt | hij zou hebben gemerkt
| | we | we zullen merken | we zouden merken | we zullen hebben gemerkt | we zouden hebben gemerkt
| | you | jullie zullen merken | jullie zouden merken | jullie zullen hebben gemerkt | jullie zouden hebben gemerkt
| | they | ze zullen merken | ze zouden merken | ze zullen hebben gemerkt | ze zouden hebben gemerkt
|
| missen (to miss)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik mis | ik miste | ik heb gemist | ik had gemist
| | you | je mist | je miste | je hebt gemist | je had gemist
| | he | hij mist | hij miste | hij heeft gemist | hij had gemist
| | we | we missen | we misten | we hebben gemist | we hadden gemist
| | you | jullie missen | jullie misten | jullie hebben gemist | jullie hadden gemist
| | they | ze missen | ze misten | ze hebben gemist | ze hadden gemist
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal missen | ik zou missen | ik zal hebben gemist | ik zou hebben gemist
| | you | je zult missen | je zou missen | je zult hebben gemist | je zou hebben gemist
| | he | hij zal missen | hij zou missen | hij zal hebben gemist | hij zou hebben gemist
| | we | we zullen missen | we zouden missen | we zullen hebben gemist | we zouden hebben gemist
| | you | jullie zullen missen | jullie zouden missen | jullie zullen hebben gemist | jullie zouden hebben gemist
| | they | ze zullen missen | ze zouden missen | ze zullen hebben gemist | ze zouden hebben gemist
|
| moeten (must)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik moet | ik moest | ik heb gemoeten | ik had gemoeten
| | you | je moet | je moest | je hebt gemoeten | je had gemoeten
| | he | hij moet | hij moest | hij heeft gemoeten | hij had gemoeten
| | we | we moeten | we moesten | we hebben gemoeten | we hadden gemoeten
| | you | jullie moeten | jullie moesten | jullie hebben gemoeten | jullie hadden gemoeten
| | they | ze moeten | ze moesten | ze hebben gemoeten | ze hadden gemoeten
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal moeten | ik zou moeten | ik zal hebben gemoeten | ik zou hebben gemoeten
| | you | je zult moeten | je zou moeten | je zult hebben gemoeten | je zou hebben gemoeten
| | he | hij zal moeten | hij zou moeten | hij zal hebben gemoeten | hij zou hebben gemoeten
| | we | we zullen moeten | we zouden moeten | we zullen hebben gemoeten | we zouden hebben gemoeten
| | you | jullie zullen moeten | jullie zouden moeten | jullie zullen hebben gemoeten | jullie zouden hebben gemoeten
| | they | ze zullen moeten | ze zouden moeten | ze zullen hebben gemoeten | ze zouden hebben gemoeten
|
| mogen (may, to be allowed to)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik mag | ik mocht | ik heb gemogen | ik had gemogen
| | you | je mag | je mocht | je hebt gemogen | je had gemogen
| | he | hij mag | hij mocht | hij heeft gemogen | hij had gemogen
| | we | we mogen | we mochten | we hebben gemogen | we hadden gemogen
| | you | jullie mogen | jullie mochten | jullie hebben gemogen | jullie hadden gemogen
| | they | ze mogen | ze mochten | ze hebben gemogen | ze hadden gemogen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal mogen | ik zou mogen | ik zal hebben gemogen | ik zou hebben gemogen
| | you | je zult mogen | je zou mogen | je zult hebben gemogen | je zou hebben gemogen
| | he | hij zal mogen | hij zou mogen | hij zal hebben gemogen | hij zou hebben gemogen
| | we | we zullen mogen | we zouden mogen | we zullen hebben gemogen | we zouden hebben gemogen
| | you | jullie zullen mogen | jullie zouden mogen | jullie zullen hebben gemogen | jullie zouden hebben gemogen
| | they | ze zullen mogen | ze zouden mogen | ze zullen hebben gemogen | ze zouden hebben gemogen
|
| nadenken (to think (about))
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik denk na | ik dacht na | ik heb nagedacht | ik had nagedacht
| | you | je denkt na | je dacht na | je hebt nagedacht | je had nagedacht
| | he | hij denkt na | hij dacht na | hij heeft nagedacht | hij had nagedacht
| | we | we denken na | we dachten na | we hebben nagedacht | we hadden nagedacht
| | you | jullie denken na | jullie dachten na | jullie hebben nagedacht | jullie hadden nagedacht
| | they | ze denken na | ze dachten na | ze hebben nagedacht | ze hadden nagedacht
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal nadenken | ik zou nadenken | ik zal hebben nagedacht | ik zou hebben nagedacht
| | you | je zult nadenken | je zou nadenken | je zult hebben nagedacht | je zou hebben nagedacht
| | he | hij zal nadenken | hij zou nadenken | hij zal hebben nagedacht | hij zou hebben nagedacht
| | we | we zullen nadenken | we zouden nadenken | we zullen hebben nagedacht | we zouden hebben nagedacht
| | you | jullie zullen nadenken | jullie zouden nadenken | jullie zullen hebben nagedacht | jullie zouden hebben nagedacht
| | they | ze zullen nadenken | ze zouden nadenken | ze zullen hebben nagedacht | ze zouden hebben nagedacht
|
| nemen (to take)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik neem | ik nam | ik heb genomen | ik had genomen
| | you | je neemt | je nam | je hebt genomen | je had genomen
| | he | hij neemt | hij nam | hij heeft genomen | hij had genomen
| | we | we nemen | we namen | we hebben genomen | we hadden genomen
| | you | jullie nemen | jullie namen | jullie hebben genomen | jullie hadden genomen
| | they | ze nemen | ze namen | ze hebben genomen | ze hadden genomen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal nemen | ik zou nemen | ik zal hebben genomen | ik zou hebben genomen
| | you | je zult nemen | je zou nemen | je zult hebben genomen | je zou hebben genomen
| | he | hij zal nemen | hij zou nemen | hij zal hebben genomen | hij zou hebben genomen
| | we | we zullen nemen | we zouden nemen | we zullen hebben genomen | we zouden hebben genomen
| | you | jullie zullen nemen | jullie zouden nemen | jullie zullen hebben genomen | jullie zouden hebben genomen
| | they | ze zullen nemen | ze zouden nemen | ze zullen hebben genomen | ze zouden hebben genomen
|
| noemen (to mention)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik noem | ik noemde | ik heb genoemd. | ik had genoemd.
| | you | je noemt | je noemde | je hebt genoemd. | je had genoemd.
| | he | hij noemt | hij noemde | hij heeft genoemd. | hij had genoemd.
| | we | we noemen | we noemden | we hebben genoemd. | we hadden genoemd.
| | you | jullie noemen | jullie noemden | jullie hebben genoemd. | jullie hadden genoemd.
| | they | ze noemen | ze noemden | ze hebben genoemd. | ze hadden genoemd.
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal noemen | ik zou noemen | ik zal hebben genoemd. | ik zou hebben genoemd.
| | you | je zult noemen | je zou noemen | je zult hebben genoemd. | je zou hebben genoemd.
| | he | hij zal noemen | hij zou noemen | hij zal hebben genoemd. | hij zou hebben genoemd.
| | we | we zullen noemen | we zouden noemen | we zullen hebben genoemd. | we zouden hebben genoemd.
| | you | jullie zullen noemen | jullie zouden noemen | jullie zullen hebben genoemd. | jullie zouden hebben genoemd.
| | they | ze zullen noemen | ze zouden noemen | ze zullen hebben genoemd. | ze zouden hebben genoemd.
|
| ontbijten (to have breakfast)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik ontbijt | ik ontbeet | ik heb ontbeten | ik had ontbeten
| | you | je ontbijt | je ontbeet | je hebt ontbeten | je had ontbeten
| | he | hij ontbijt | hij ontbeet | hij heeft ontbeten | hij had ontbeten
| | we | we ontbijten | we ontbeten | we hebben ontbeten | we hadden ontbeten
| | you | jullie ontbijten | jullie ontbeten | jullie hebben ontbeten | jullie hadden ontbeten
| | they | ze ontbijten | ze ontbeten | ze hebben ontbeten | ze hadden ontbeten
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal ontbijten | ik zou ontbijten | ik zal hebben ontbeten | ik zou hebben ontbeten
| | you | je zult ontbijten | je zou ontbijten | je zult hebben ontbeten | je zou hebben ontbeten
| | he | hij zal ontbijten | hij zou ontbijten | hij zal hebben ontbeten | hij zou hebben ontbeten
| | we | we zullen ontbijten | we zouden ontbijten | we zullen hebben ontbeten | we zouden hebben ontbeten
| | you | jullie zullen ontbijten | jullie zouden ontbijten | jullie zullen hebben ontbeten | jullie zouden hebben ontbeten
| | they | ze zullen ontbijten | ze zouden ontbijten | ze zullen hebben ontbeten | ze zouden hebben ontbeten
|
| ontmoeten (to meet)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik ontmoet | ik ontmoette | ik heb ontmoet | ik had ontmoet
| | you | je ontmoet | je ontmoette | je hebt ontmoet | je had ontmoet
| | he | hij ontmoet | hij ontmoette | hij heeft ontmoet | hij had ontmoet
| | we | we ontmoeten | we ontmoetten | we hebben ontmoet | we hadden ontmoet
| | you | jullie ontmoeten | jullie ontmoetten | jullie hebben ontmoet | jullie hadden ontmoet
| | they | ze ontmoeten | ze ontmoetten | ze hebben ontmoet | ze hadden ontmoet
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal ontmoeten | ik zou ontmoeten | ik zal hebben ontmoet | ik zou hebben ontmoet
| | you | je zult ontmoeten | je zou ontmoeten | je zult hebben ontmoet | je zou hebben ontmoet
| | he | hij zal ontmoeten | hij zou ontmoeten | hij zal hebben ontmoet | hij zou hebben ontmoet
| | we | we zullen ontmoeten | we zouden ontmoeten | we zullen hebben ontmoet | we zouden hebben ontmoet
| | you | jullie zullen ontmoeten | jullie zouden ontmoeten | jullie zullen hebben ontmoet | jullie zouden hebben ontmoet
| | they | ze zullen ontmoeten | ze zouden ontmoeten | ze zullen hebben ontmoet | ze zouden hebben ontmoet
|
| openen (to open)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik open | ik opende | ik heb geopend | ik had geopend
| | you | je opent | je opende | je hebt geopend | je had geopend
| | he | hij opent | hij opende | hij heeft geopend | hij had geopend
| | we | we openen | we openden | we hebben geopend | we hadden geopend
| | you | jullie openen | jullie openden | jullie hebben geopend | jullie hadden geopend
| | they | ze openen | ze openden | ze hebben geopend | ze hadden geopend
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal openen | ik zou openen | ik zal hebben geopend | ik zou hebben geopend
| | you | je zult openen | je zou openen | je zult hebben geopend | je zou hebben geopend
| | he | hij zal openen | hij zou openen | hij zal hebben geopend | hij zou hebben geopend
| | we | we zullen openen | we zouden openen | we zullen hebben geopend | we zouden hebben geopend
| | you | jullie zullen openen | jullie zouden openen | jullie zullen hebben geopend | jullie zouden hebben geopend
| | they | ze zullen openen | ze zouden openen | ze zullen hebben geopend | ze zouden hebben geopend
|
| pakken (to grab)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik pak | ik pakte | ik heb gepakt | ik had gepakt
| | you | je pakt | je pakte | je hebt gepakt | je had gepakt
| | he | hij pakt | hij pakte | hij heeft gepakt | hij had gepakt
| | we | we pakken | we pakten | we hebben gepakt | we hadden gepakt
| | you | jullie pakken | jullie pakten | jullie hebben gepakt | jullie hadden gepakt
| | they | ze pakken | ze pakten | ze hebben gepakt | ze hadden gepakt
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal pakken | ik zou pakken | ik zal hebben gepakt | ik zou hebben gepakt
| | you | je zult pakken | je zou pakken | je zult hebben gepakt | je zou hebben gepakt
| | he | hij zal pakken | hij zou pakken | hij zal hebben gepakt | hij zou hebben gepakt
| | we | we zullen pakken | we zouden pakken | we zullen hebben gepakt | we zouden hebben gepakt
| | you | jullie zullen pakken | jullie zouden pakken | jullie zullen hebben gepakt | jullie zouden hebben gepakt
| | they | ze zullen pakken | ze zouden pakken | ze zullen hebben gepakt | ze zouden hebben gepakt
|
| passen (to fit)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik pas | ik paste | ik heb gepast | ik had gepast
| | you | je past | je paste | je hebt gepast | je had gepast
| | he | hij past | hij paste | hij heeft gepast | hij had gepast
| | we | we passen | we pasten | we hebben gepast | we hadden gepast
| | you | jullie passen | jullie pasten | jullie hebben gepast | jullie hadden gepast
| | they | ze passen | ze pasten | ze hebben gepast | ze hadden gepast
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal passen | ik zou passen | ik zal hebben gepast | ik zou hebben gepast
| | you | je zult passen | je zou passen | je zult hebben gepast | je zou hebben gepast
| | he | hij zal passen | hij zou passen | hij zal hebben gepast | hij zou hebben gepast
| | we | we zullen passen | we zouden passen | we zullen hebben gepast | we zouden hebben gepast
| | you | jullie zullen passen | jullie zouden passen | jullie zullen hebben gepast | jullie zouden hebben gepast
| | they | ze zullen passen | ze zouden passen | ze zullen hebben gepast | ze zouden hebben gepast
|
| plannen (to plan)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik plan | ik plande | ik heb gepland | ik had gepland
| | you | je plant | je plande | je hebt gepland | je had gepland
| | he | hij plant | hij plande | hij heeft gepland | hij had gepland
| | we | we plannen | we planden | we hebben gepland | we hadden gepland
| | you | jullie plannen | jullie planden | jullie hebben gepland | jullie hadden gepland
| | they | ze plannen | ze planden | ze hebben gepland | ze hadden gepland
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal plannen | ik zou plannen | ik zal hebben gepland | ik zou hebben gepland
| | you | je zult plannen | je zou plannen | je zult hebben gepland | je zou hebben gepland
| | he | hij zal plannen | hij zou plannen | hij zal hebben gepland | hij zou hebben gepland
| | we | we zullen plannen | we zouden plannen | we zullen hebben gepland | we zouden hebben gepland
| | you | jullie zullen plannen | jullie zouden plannen | jullie zullen hebben gepland | jullie zouden hebben gepland
| | they | ze zullen plannen | ze zouden plannen | ze zullen hebben gepland | ze zouden hebben gepland
|
| planten (to plant)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik plant | ik plantte | ik heb geplant | ik had geplant
| | you | je plant | je plantte | je hebt geplant | je had geplant
| | he | hij plant | hij plantte | hij heeft geplant | hij had geplant
| | we | we planten | we plantten | we hebben geplant | we hadden geplant
| | you | jullie planten | jullie plantten | jullie hebben geplant | jullie hadden geplant
| | they | ze planten | ze plantten | ze hebben geplant | ze hadden geplant
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal planten | ik zou planten | ik zal hebben geplant | ik zou hebben geplant
| | you | je zult planten | je zou planten | je zult hebben geplant | je zou hebben geplant
| | he | hij zal planten | hij zou planten | hij zal hebben geplant | hij zou hebben geplant
| | we | we zullen planten | we zouden planten | we zullen hebben geplant | we zouden hebben geplant
| | you | jullie zullen planten | jullie zouden planten | jullie zullen hebben geplant | jullie zouden hebben geplant
| | they | ze zullen planten | ze zouden planten | ze zullen hebben geplant | ze zouden hebben geplant
|
| praten (to talk)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik praat | ik praatte | ik heb gepraat | ik had gepraat
| | you | je praat | je praatte | je hebt gepraat | je had gepraat
| | he | hij praat | hij praatte | hij heeft gepraat | hij had gepraat
| | we | we praten | we praatten | we hebben gepraat | we hadden gepraat
| | you | jullie praten | jullie praatten | jullie hebben gepraat | jullie hadden gepraat
| | they | ze praten | ze praatten | ze hebben gepraat | ze hadden gepraat
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal praten | ik zou praten | ik zal hebben gepraat | ik zou hebben gepraat
| | you | je zult praten | je zou praten | je zult hebben gepraat | je zou hebben gepraat
| | he | hij zal praten | hij zou praten | hij zal hebben gepraat | hij zou hebben gepraat
| | we | we zullen praten | we zouden praten | we zullen hebben gepraat | we zouden hebben gepraat
| | you | jullie zullen praten | jullie zouden praten | jullie zullen hebben gepraat | jullie zouden hebben gepraat
| | they | ze zullen praten | ze zouden praten | ze zullen hebben gepraat | ze zouden hebben gepraat
|
| proberen (to try)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik probeer | ik probeerde | ik heb geprobeerd | ik had geprobeerd
| | you | je probeert | je probeerde | je hebt geprobeerd | je had geprobeerd
| | he | hij probeert | hij probeerde | hij heeft geprobeerd | hij had geprobeerd
| | we | we proberen | we probeerden | we hebben geprobeerd | we hadden geprobeerd
| | you | jullie proberen | jullie probeerden | jullie hebben geprobeerd | jullie hadden geprobeerd
| | they | ze proberen | ze probeerden | ze hebben geprobeerd | ze hadden geprobeerd
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal proberen | ik zou proberen | ik zal hebben geprobeerd | ik zou hebben geprobeerd
| | you | je zult proberen | je zou proberen | je zult hebben geprobeerd | je zou hebben geprobeerd
| | he | hij zal proberen | hij zou proberen | hij zal hebben geprobeerd | hij zou hebben geprobeerd
| | we | we zullen proberen | we zouden proberen | we zullen hebben geprobeerd | we zouden hebben geprobeerd
| | you | jullie zullen proberen | jullie zouden proberen | jullie zullen hebben geprobeerd | jullie zouden hebben geprobeerd
| | they | ze zullen proberen | ze zouden proberen | ze zullen hebben geprobeerd | ze zouden hebben geprobeerd
|
| racen (to race)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik race | ik racete | ik heb geracet | ik had geracet
| | you | je racet | je racete | je hebt geracet | je had geracet
| | he | hij racet | hij racete | hij heeft geracet | hij had geracet
| | we | we racen | we raceten | we hebben geracet | we hadden geracet
| | you | jullie racen | jullie raceten | jullie hebben geracet | jullie hadden geracet
| | they | ze racen | ze raceten | ze hebben geracet | ze hadden geracet
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal racen | ik zou racen | ik zal hebben geracet | ik zou hebben geracet
| | you | je zult racen | je zou racen | je zult hebben geracet | je zou hebben geracet
| | he | hij zal racen | hij zou racen | hij zal hebben geracet | hij zou hebben geracet
| | we | we zullen racen | we zouden racen | we zullen hebben geracet | we zouden hebben geracet
| | you | jullie zullen racen | jullie zouden racen | jullie zullen hebben geracet | jullie zouden hebben geracet
| | they | ze zullen racen | ze zouden racen | ze zullen hebben geracet | ze zouden hebben geracet
|
| raken (to touch)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik raak | ik raakte | ik heb geraakt | ik had geraakt
| | you | je raakt | je raakte | je hebt geraakt | je had geraakt
| | he | hij raakt | hij raakte | hij heeft geraakt | hij had geraakt
| | we | we raken | we raakten | we hebben geraakt | we hadden geraakt
| | you | jullie raken | jullie raakten | jullie hebben geraakt | jullie hadden geraakt
| | they | ze raken | ze raakten | ze hebben geraakt | ze hadden geraakt
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal raken | ik zou raken | ik zal hebben geraakt | ik zou hebben geraakt
| | you | je zult raken | je zou raken | je zult hebben geraakt | je zou hebben geraakt
| | he | hij zal raken | hij zou raken | hij zal hebben geraakt | hij zou hebben geraakt
| | we | we zullen raken | we zouden raken | we zullen hebben geraakt | we zouden hebben geraakt
| | you | jullie zullen raken | jullie zouden raken | jullie zullen hebben geraakt | jullie zouden hebben geraakt
| | they | ze zullen raken | ze zouden raken | ze zullen hebben geraakt | ze zouden hebben geraakt
|
| redden (to save)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik red | ik redde | ik heb gered | ik had gered
| | you | je redt | je redde | je hebt gered | je had gered
| | he | hij redt | hij redde | hij heeft gered | hij had gered
| | we | we redden | we redden | we hebben gered | we hadden gered
| | you | jullie redden | jullie redden | jullie hebben gered | jullie hadden gered
| | they | ze redden | ze redden | ze hebben gered | ze hadden gered
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal redden | ik zou redden | ik zal hebben gered | ik zou hebben gered
| | you | je zult redden | je zou redden | je zult hebben gered | je zou hebben gered
| | he | hij zal redden | hij zou redden | hij zal hebben gered | hij zou hebben gered
| | we | we zullen redden | we zouden redden | we zullen hebben gered | we zouden hebben gered
| | you | jullie zullen redden | jullie zouden redden | jullie zullen hebben gered | jullie zouden hebben gered
| | they | ze zullen redden | ze zouden redden | ze zullen hebben gered | ze zouden hebben gered
|
| regenen (to rain)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | it | het regent | het regende | het heeft geregend | het had geregend
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | it | het zal regenen | het zou regenen | het zal hebben geregend | het zou hebben geregend
|
| reizen (to travel)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik reis | ik reisde | ik heb gereisd | ik had gereisd
| | you | je reist | je reisde | je hebt gereisd | je had gereisd
| | he | hij reist | hij reisde | hij heeft gereisd | hij had gereisd
| | we | we reizen | we reisden | we hebben gereisd | we hadden gereisd
| | you | jullie reizen | jullie reisden | jullie hebben gereisd | jullie hadden gereisd
| | they | ze reizen | ze reisden | ze hebben gereisd | ze hadden gereisd
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal reizen | ik zou reizen | ik zal hebben gereisd | ik zou hebben gereisd
| | you | je zult reizen | je zou reizen | je zult hebben gereisd | je zou hebben gereisd
| | he | hij zal reizen | hij zou reizen | hij zal hebben gereisd | hij zou hebben gereisd
| | we | we zullen reizen | we zouden reizen | we zullen hebben gereisd | we zouden hebben gereisd
| | you | jullie zullen reizen | jullie zouden reizen | jullie zullen hebben gereisd | jullie zouden hebben gereisd
| | they | ze zullen reizen | ze zouden reizen | ze zullen hebben gereisd | ze zouden hebben gereisd
|
| rennen (to run)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik ren | ik rende | ik heb gerend | ik had gerend
| | you | je rent | je rende | je hebt gerend | je had gerend
| | he | hij rent | hij rende | hij heeft gerend | hij had gerend
| | we | we rennen | we renden | we hebben gerend | we hadden gerend
| | you | jullie rennen | jullie renden | jullie hebben gerend | jullie hadden gerend
| | they | ze rennen | ze renden | ze hebben gerend | ze hadden gerend
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal rennen | ik zou rennen | ik zal hebben gerend | ik zou hebben gerend
| | you | je zult rennen | je zou rennen | je zult hebben gerend | je zou hebben gerend
| | he | hij zal rennen | hij zou rennen | hij zal hebben gerend | hij zou hebben gerend
| | we | we zullen rennen | we zouden rennen | we zullen hebben gerend | we zouden hebben gerend
| | you | jullie zullen rennen | jullie zouden rennen | jullie zullen hebben gerend | jullie zouden hebben gerend
| | they | ze zullen rennen | ze zouden rennen | ze zullen hebben gerend | ze zouden hebben gerend
|
| rijden (to ride, to drive)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik rijd | ik reed | ik heb gereden | ik had gereden
| | you | je rijdt | je reed | je hebt gereden | je had gereden
| | he | hij rijdt | hij reed | hij heeft gereden | hij had gereden
| | we | we rijden | we reden | we hebben gereden | we hadden gereden
| | you | jullie rijden | jullie reden | jullie hebben gereden | jullie hadden gereden
| | they | ze rijden | ze reden | ze hebben gereden | ze hadden gereden
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal rijden | ik zou rijden | ik zal hebben gereden | ik zou hebben gereden
| | you | je zult rijden | je zou rijden | je zult hebben gereden | je zou hebben gereden
| | he | hij zal rijden | hij zou rijden | hij zal hebben gereden | hij zou hebben gereden
| | we | we zullen rijden | we zouden rijden | we zullen hebben gereden | we zouden hebben gereden
| | you | jullie zullen rijden | jullie zouden rijden | jullie zullen hebben gereden | jullie zouden hebben gereden
| | they | ze zullen rijden | ze zouden rijden | ze zullen hebben gereden | ze zouden hebben gereden
|
| roepen (to shout, to call)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik roep | ik riep | ik heb geroepen | ik had geroepen
| | you | je roept | je riep | je hebt geroepen | je had geroepen
| | he | hij roept | hij riep | hij heeft geroepen | hij had geroepen
| | we | we roepen | we riepen | we hebben geroepen | we hadden geroepen
| | you | jullie roepen | jullie riepen | jullie hebben geroepen | jullie hadden geroepen
| | they | ze roepen | ze riepen | ze hebben geroepen | ze hadden geroepen
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal roepen | ik zou roepen | ik zal hebben geroepen | ik zou hebben geroepen
| | you | je zult roepen | je zou roepen | je zult hebben geroepen | je zou hebben geroepen
| | he | hij zal roepen | hij zou roepen | hij zal hebben geroepen | hij zou hebben geroepen
| | we | we zullen roepen | we zouden roepen | we zullen hebben geroepen | we zouden hebben geroepen
| | you | jullie zullen roepen | jullie zouden roepen | jullie zullen hebben geroepen | jullie zouden hebben geroepen
| | they | ze zullen roepen | ze zouden roepen | ze zullen hebben geroepen | ze zouden hebben geroepen
|
| schaatsen (to skate)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik schaats | ik schaatste | ik heb geschaatst | ik had geschaatst
| | you | je schaatst | je schaatste | je hebt geschaatst | je had geschaatst
| | he | hij schaatst | hij schaatste | hij heeft geschaatst | hij had geschaatst
| | we | we schaatsen | we schaatsten | we hebben geschaatst | we hadden geschaatst
| | you | jullie schaatsen | jullie schaatsten | jullie hebben geschaatst | jullie hadden geschaatst
| | they | ze schaatsen | ze schaatsten | ze hebben geschaatst | ze hadden geschaatst
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal schaatsen | ik zou schaatsen | ik zal hebben geschaatst | ik zou hebben geschaatst
| | you | je zult schaatsen | je zou schaatsen | je zult hebben geschaatst | je zou hebben geschaatst
| | he | hij zal schaatsen | hij zou schaatsen | hij zal hebben geschaatst | hij zou hebben geschaatst
| | we | we zullen schaatsen | we zouden schaatsen | we zullen hebben geschaatst | we zouden hebben geschaatst
| | you | jullie zullen schaatsen | jullie zouden schaatsen | jullie zullen hebben geschaatst | jullie zouden hebben geschaatst
| | they | ze zullen schaatsen | ze zouden schaatsen | ze zullen hebben geschaatst | ze zouden hebben geschaatst
|
| schrijven (to write)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik schrijf | ik schreef | ik heb geschreven | ik had geschreven
| | you | je schrijft | je schreef | je hebt geschreven | je had geschreven
| | he | hij schrijft | hij schreef | hij heeft geschreven | hij had geschreven
| | we | we schrijven | we schreven | we hebben geschreven | we hadden geschreven
| | you | jullie schrijven | jullie schreven | jullie hebben geschreven | jullie hadden geschreven
| | they | ze schrijven | ze schreven | ze hebben geschreven | ze hadden geschreven
| |
| | | future | conditional | future perfect | conditional perfect
| | I | ik zal schrijven | ik zou schrijven | ik zal hebben geschreven | ik zou hebben geschreven
| | you | je zult schrijven | je zou schrijven | je zult hebben geschreven | je zou hebben geschreven
| | he | hij zal schrijven | hij zou schrijven | hij zal hebben geschreven | hij zou hebben geschreven
| | we | we zullen schrijven | we zouden schrijven | we zullen hebben geschreven | we zouden hebben geschreven
| | you | jullie zullen schrijven | jullie zouden schrijven | jullie zullen hebben geschreven | jullie zouden hebben geschreven
| | they | ze zullen schrijven | ze zouden schrijven | ze zullen hebben geschreven | ze zouden hebben geschreven
|
| schrikken (to be startled)
| | | present | past | present perfect | past perfect
| | I | ik schrik | ik schrok | ik ben geschrokken | ik was geschrokken
| | you | je schrikt | je schrok | je bent geschrokken | je was geschrokken
| | he | hij schrikt | hij schrok | hij is geschrokken | hij was geschrokken
| | we | we schrikken | we schrokken | we zijn geschrokken | we waren geschrokken
| | you | jullie schrikken | jullie schrokken | jullie zijn geschrokken | jullie waren geschrokken
| | they | ze schrikken | ze schrokken | ze z | | |